Ik ging naar Nepal en het was fantastisch




Van 16 oktober t/m 5 november was ik in Nepal om te backpacken door de Himalaya. Ik heb de Annapurna Circuit (AC) gelopen, één van de bekendste tochten die je in het land kunt maken. Hieronder een kort (maar ook veel te lang) verslag van de reis.

In dit verhaal staan een paar foto's die de tekst illustreren, maar als je ze alle 681 wil zien kun je het beste kijken op Flickr. In dit album staat een wat beknoptere selectie van de reis.

Ik wilde aanvankelijk naar Everest Base Camp, een trek van 12 dagen, maar heb uiteindelijk toch voor Annapurna gekozen. Dat had een paar redenen. Ten eerste is Annapurna diverser; je begint bijna tropisch, en eindigt ver in de bergen. Ook speelt mee dat ik niet zeker wist hoe goed ik zou zijn in het (berg)wandelen voor zo'n lange tijd. De Annapurna Circuit gaat langs een inmiddels beruchte weg. Die wordt door veel backpackers verguisd omdat het niet 'authentiek' genoeg zou zijn, maar ik vond het idee wel prettig dat ik ieder moment een Jeep terug naar Kathmandu kon pakken als ik het niet bleek te kunnen.

Wat ook meespeelde is dat je bij de EBC-trek van plaats naar plaats loopt, en als je halverwege niet meer verder kunt, dan heb je toch een probleem - althans, dat idee had ik vanuit de research, de praktijk is misschien anders. Bij de AC leek het aantal guest houses onderweg veel groter, dat gaf wat meer vertrouwen.

Omdat iedereen begint met z'n gear heb ik dat ook maar onder elkaar gezet.

Klik hier als je wil zien welke spullen ik allemaal heb meegezeuld. In totaal was het 8,8 kilo.

Itinirary

Dit is mijn itinirary, inclusief alle looptijden erbij.

To guide or not to guide

De eerste dag was vooral een regeldag in Kathmandu. Hotel vinden, je trekking permit hosselen, en, belangrijker, toch maar een reisbureau te zoeken.

Ik heb toch besloten met een gids te reizen. In Kathmandu was net een groot festival aan de gang waardoor het moeilijk was dingen als een trekking permit te regelen, of een bus naar het begin van de route in Besisahar. Bovendien wist ik niet 100% zeker hoe goed ik de trail zelf zou kunnen vinden in m'n eentje en hoe ik moest omgaan met eventuele hoogteziekte, dus ik heb via een travel agency een heel pakket geregeld.

Zo kreeg ik een vooraf uitgestippelde route (vooral waar je elke avond slaapt), een gids voor 14 dagen, alle hotels en maaltijden vooraf betaald, busreizen van en naar Kathmandu, Pokhara en tussendoor, en ze regelden mijn trekking permits en gaven me een winterjas en wandelstokken.

Hier zijn Gombu Sherpa en ik bovenaan de pas.



Uiteindelijk heb ik er veel te veel voor betaald, maar het alternatief is dat je iedere avond moet onderhandelen over een hotelkamer terwijl nu een gids dat doet. Voor sommige dingen word je gewoon te oud...

Uiteindelijk bleek het een goed idee te zijn een gids mee te nemen. Toen we in Besisahar uitstapten sloeg hij meteen dit paadje in. Dat had ik nooit in mijn eentje gevonden.



Kleine hotels

De hotels waarin je slaapt zijn van buiten erg schattig, maar van binnen soms wat spartaans.


Een erg mooi huis van buiten...
... maar wel wat jammer van een douche als deze...
... of een dak als dit...
... of een bed als dit.

De kleine paden op

Ik was blij dat ik een gids had. De eerste dag vertrokken we om 05.00 naar het busstation van Kathmandu, een wel erg flatteuze naam voor een perkje met grint waar wat aftandse bussen stonden te ronken. De tocht naar Besisahar duurde zo'n 7 uur - waarvan we zeker anderhalf moesten wachten op 'een vriend van de chauffeur' die nog zou komen, en waarvan een vrouw naast me zeker 6 uur in een zakje heeft liggen kotsen.

Eenmaal in Besisahar kwam de eerste keuze: lopen we de 2 uur richting Bhulbule of pakken we de bus? Nou, we komen om te lopen, dus lopen zullen we.



Op de route worden bestemmingen aangegeven in tijd in plaats van afstanden. Ook wordt overal de hoogte bij gezet. Nog maar 4.800 meter te gaan...


Vanaf dat moment was dat vooral het soort paden dat we volgden. Voor een leek als ik onvindbaar, voor hem gesneden koek. Die eerste twee uur waren stiekem best zwaar. Heet vooral. Bhulbule is bijna subtropisch, het is warm en benauwd en overal om je heen klinken krekels die je 's nachts ook wakker houden. Je bedenkt hier niet dat je anderhalve week later een warme muts en dikke handschoenen nodig hebt. Waarom heb ik die tas zo vol geladen? Waarom heb ik zo'n dik vest bij me? Wat moet ik met die winterjas van 700 gram?!

De eerste dagen waren ook het zwaarst. Lopen naar Chamche duurde meer dan 8 uur (wel inclusief lunch).

Je zweet je kapot, de hele dag. Het gutst over je voorhoofd, je veegt je zonnebril constant schoon en je backpack plakt aan je rug en je klotsende oksels. Dit is niet wat je verwacht in de bergen...



Onmogelijke tocht

Geleidelijk aan klim je steeds hoger. Een punt in de verte dat kilometers verderop ligt en welhaast onbereikbaar lijkt komt steeds dichterbij. Dat verwacht je niet. Die berg daar, die is zó groot, hoe ga je die ooit bestijgen? Die rivier, die is zo lang, het moet zó lang duren voor je daar voorbij bent.


Hoe ga je in vredesnaam ooit door dit hele dal heen komen?

Maar dan ineens ben je er toch. Zoals je overal komt: de ene stap na de andere. Als je dat vaak genoeg doet kom je vanzelf waar je moet zijn. Dan ben je ineens hier, in Bagarchap.



Je komt in een ritme. 's Ochtends om 07.00 op, want in de ochtend is het weer het best. Rond 14.00 komt de bewolking op, en als de zon rond 16.00 achter de bergen verdwijnt is dat een letterlijk verschil van dag en nacht.

Je ontbijt met Tibetaans brood, een ei, een bakje pap, en zwarte thee, en dan pak je je spullen in en ga je de paden op en de lanen in. Anderhalf uur lopen, een korte pauze, en weer verder. Eén stap na de andere. En dat dan een paar uur lang.

Ondertussen lunch je met dal bhat, dé maaltijd in Nepal. Een enorme berg rijst, aardappeltjes, en een kommetje linzensoep. Meer koolhydraten dan goed voor je is in een normale omgeving, maar wie uren omhoog klimt met 9 kilo op z'n rug kan die extra carbs wel gebruiken. Niet voor niks gaat het Nepalese adagium: "Dal bhat power, 24 hour."



Overigens heb je op de meeste plekken ook wat meer westers voedsel, zonder twijfel bedoeld voor die kniesoren zoals ik waar rijst en bonen na een paar dagen wel de strot uit komen. Er is bijvoorbeeld 'pizza'. Dat lijkt alsof iemand de kok telefonisch heeft proberen te beschrijven wat een pizza is, en dat resulteert in de praktijk in een naanbrood met ketchup en een paar plakjes cheddar - maar hey, na die rijst is alles goed!

Na dat ontbijt ga je weer verder. Weer die ene stap voor de andere, geholpen door dit soort fancy nordic walking-stokken die absoluut essentieel zijn voor je knieën en je enkels.



Hoe hoger je komt, hoe anders de begroeiïng wordt. Waar je in Bhulbule en Chamche nog palmen met grote bladeren zag loop je nu langs loofbomen die langzaam in naaldbomen veranderen. Het is hier pas voor het eerst dat je voelt dat je in de bergen komt. Ook door dit soort uitzichten...



Ondertussen vertelt Gombu Sherpa af en toe wat we onderweg zien. Ik ben helaas vergeten of dit Annapurna I, II of IV is, maar kijk nou hoe imposant!



In de avonden doe je niet veel - er is ook heel weinig te doen in de dorpen waar je verblijft. Die bestaan uit niet meer dan een handvol huizen, en een flesje cola en een zakje chips kopen in je guest house is het dichtste dat je bij een café in de buurt komt. Dus je praat een beetje met de andere mensen in dat guest house, hebt altijd dezelfde gesprekken ("Hoe lang ben jij hier? Welke landen doe je hierna? Welk waterfilter gebruik je?"), en gaat dan rond 20.00, als het pikdonker is, alvast naar bed. Ook omdat je ZO. ONTZETTEND. MOE. bent.


Klooster

Toch is er in Lower Pisang ineens wat welkome afwisseling. In Upper Pisang is een klooster. Mooi, gaan we heen! Moeten we wel even nog een goede 3 kwartier klimmen, maar wat stelt dat inmiddels nog voor?


Het klooster in Upper Pisang...


... en de afstand richting Lower Pisang.


De high road

Vanaf dag 6, als we Pisang verlaten, wordt de tocht wat intensiever. Er zit weliswaar ritme in, maar het lopen wordt heftiger. We kunnen naar Manang via een hoge en een lage route. Het internet zei 'doe de hoge want da's mooier', en zo geschiede. "Die is wel wat zwaarder", waarschuwde Gombu nog, maar op dat punt ga je er gewoon voor. En holy shit ze logen er niet om! Dit was zonder twijfel de mooiste dag van de tocht, al duurde die een gruwelijke en zware 8 uur.

Dat vergeet je al snel als je halverwege kunt pauzeren met mierzoete gemberthee en dít uitzicht:



Of een klooster met kekke vlaggetjes waar je dit ziet:



Deze foto laat ook heel goed zien hoe imposant deze dag was. Je loopt over dit onmogelijk lange en smalle bergpad. Je gaat volledig op in de berg. Je wordt er constant aan herinnerd dat je die ochtend nog ter hoogte van die rivier liep, die nu een klein bergstroompje lijkt te zijn vanaf deze afstand.



En als je die bocht om gaat? Dan moet je alleen nog maar verder.



En ook hier, als je maar lang genoeg door loopt, genoeg stappen achter elkaar zet, dan kom je uiteindelijk in Manang. Inclusief yak. Eindelijk!


Acclimatiseren

Manang is waar je je acclimatisatiedag hebt. Het ligt op 3.500 meter hoogte en hier begin je dat al te voelen. Een beetje alsof je nét iets te hard hebt gerend, je bent iets kortademiger, en samen met de kou die je hier voelt ben je niet op en top fit.

In Manang werd een voorlichting gegeven over hoogteziekte door een kliniek met vrijwilligers. De symptomen van AMS: hoofdpijn, moeheid, weinig eetlust... Ondertussen loop je 6 tot 8 uur per dag met te weinig water en je eet alleen rijst en naan-en-ketchup-pizza dus natúúrlijk voel je dat allemaal!

Om te wennen aan de hoogte neem je hier ook een extra dag. Dat is geen rustdag in tegenstelling tot wat sommige leugenaars je wijsmaken. Je kunt een paar dagtripjes doen, naar een grot die waardeloos schijnt te zijn, of naar een monument dat niet erg hoog is, en ik met m'n stomme kop bedacht dat de ice lake wel geinig zou zijn. Blijkt dat de zwaarste tocht van alle dagen te worden. In 4,5 uur klim je van 3.500 meter hoogte naar een ijsmeer op niet minder dan 4.600 meter. Dat voel je wel. Het is een tocht met eindeloze valse pieken, en als eindresultaat voel je je vooral euforisch omdat je het hebt gehaald, niet omdat dat meer nou zo indrukwekkend is.



Van de andere kant... Can't beat the view!



Korte dagen

Vanaf Manang worden de dagen korter. Je moet hier nooit meer dan 500 meter hoger slapen als de nacht ervoor, dus je kunt niet in één keer door naar de pas. Hier houdt 'the road' ook op dus je loopt echt alleen nog over dunne paadjes. We zijn nog voor het middaguur in Yak Kharka, en de volgende dag hetzelfde in Thorung Phedi. Allebei zijn dat niet meer dan 5 guest houses naast elkaar, en als je er dan zoveel uur moet doorbrengen is dat behoorlijk suf.

Je zit hier ook ver boven de boomgrens. Het uitzicht is niet minder imposant, maar wel heel anders.



The big day

Voor je het eigenlijk weet ben je aanbeland aan de grote dag. De dag dat we de pas oversteken. Thorung Phedi ligt op 4.540 meter, de Thorung La-las op 5.416 meter, een flinke stijging waarvoor je al om 04.00 op moet. Samen met alle andere trekkers zitten we aan een ontbijttafel, warme mutsen op, handschoenen aan, drie lagen shirts en vesten en jassen over elkaar aangekleed. Het lijkt onmogelijk lang geleden dat ik mijn broek afritste (ja!) omdat het in Chame zo heet was.

M'n water is bevroren in m'n fles. Erger nog, m'n waterfilter ook. "Die had je in je slaapzak moeten houden", heeft Gombu als handige tip voor 8 uur geleden.

De tocht naar boven gaat in het pikdonker. M'n zaklamp blijkt lastig vast te houden met m'n handschoenen en m'n wandelstokken, en het pad is van grind en moeilijk begaanbaar.

De hoogte slaat hier hard toe. Iedere stap omhoog is zwaar. Na een paar uur kan ik niet meer dan 5 stappen zetten zonder even te moeten bijkomen.

Alles gaat zó traag. Gombu zegt dat we rond 07.30 bij de pas zijn maar ik ben sceptisch. In dit tempo? En toch ben ik zeker niet de enige die het moeilijk heeft. Een Canadees die ik eerder op de tocht ontmoette is midden in de nacht afgevoerd naar een lager punt, vertellen zijn reisgenoten. Ondertussen heb ik nog geen echte last van hoogteziekte. Blijft dat zo?

En dan, na tientallen valse pieken, met de zon net over de bergen, staan we ineens bij de pas.

Een grote berg met vlaggen, een bord dat je welkom heet, en een theehuis waar de thee meerdere euro's kost vertellen je dat dít is waar je anderhalve week naartoe hebt gelopen. Dít is het doel, dít is waar je het voor doet. Maakt niet uit dat het uitzicht hier waardeloos is en dat je nog steeds amper kunt ademen. Ik ben er!





Je bent niet lang boven. Er is inmiddels niet heel veel te beleven. Als de euforie is gedaald en je even zo goed en kwaad als het gaat adem hebt kunnen halen moet je toch weer verder. What goes up, must come down, en in dit geval moeten we nog een goede 4 uur hier naar beneden.



Hier, aan het andere eind van de pas, is het landschap weer onmiddellijk anders. Het is een dor marslandschap, met hier en daar wat struikjes en vooral héél veel losse stenen en grind die de neerwaartse tocht een aanslag op je knieën en enkels maken. Maar wel heel mooi. Alweer.



Dit gaat zo door tot we in Muktinath aanbelanden. Hier is nog een groot klooster én een festival met allerlei hindoeïstische rituelen, en achteraf heb ik spijt dat ik er maar even snel doorheen ben gelopen. Maar je bent hier zó kapot dat alle bewondering teveel energie kost.





Mentaal klaar

Na nog één oervervelende, lawaaiïge en stoffige dag langs een grindweg vol stofopwerpende Jeeps en vrachtwagens en zwartedieseluitstotende bussen arriveren we in Jomsom. Eigenlijk merk ik hier dat de tocht voorbij is. De magie is er vanaf, het landschap is veel minder mooi, de weg waar je langs loopt is vreselijk, en je hebt het gehad met lopen. Ik had het plan om door te lopen tot het eind, maar besluit gewoon een bus te nemen. Gombu snapt dat prima. Hij boekt een busticket richting Tatopani, waar beroemde hot springs zijn en wat op 2.100 meter hoogte bijna tropisch aan moet voelen.

Helaas halen we de hot springs niet, want halverwege de rit begeeft het onderstel van onze bus het. Dat betekent ruim 4 uur wachten op een reparatie, en als dat niet blijkt te lukken een andere bus te pakken.



Uiteindelijk zijn we pas om 21.00 in Tatopani, dus dat is eten, douchen (warm!) en de volgende dag met een andere bus richting Pokhara.

Pokhara is een andere wereld. Dit is het einde van de tocht, en wat een heerlijk einde. De stad ligt aan een groot meer waar je rustig kunt eten, bier drinken, en een boek lezen in één van deze bootjes.





Pokhara is een welkome en vooral rustige afwisseling van een lange tocht die van heel heet naar heel koud ging, die je adem letterlijk en figuurlijk benam en waar je makkelijk 3 dagen compleet niets kunt doen.

De laatste 3 dagen in Kathmandu zijn beduidend minder leuk. Hier is ook niets te doen, maar de drukte en smerigheid beginnen snel te vervelen. Behalve de tempel met deze apen dan!